In de Late Middeleeuwen en Vroegmoderne Tijd bestonden grote gedeeltes van het Nederlandse zandlandschap uit zogenoemde ‘woeste gronden’. Dit waren uitgestrekte heidevelden en zandverstuivingen die in het perifere gedeelte van de boerengemeenschappen voorkwamen. Deze gronden hadden ondanks hun onherbergzaamheid wel een functie binnen het boerenbedrijf. De agrarische bedrijfsvoering draaide tot diep in de 19e eeuw op plaggenbemesting binnen het zogenoemde essensysteem. Hierbij werden (grotendeels) schapen ingezet om te grazen op de woeste gronden, waarna de mest werd ‘afgeplagd’ om te gebruiken om de akkergronden. Aan het eind van de 19e eeuw verdween dit systeem door de intrede van kunstmest, de afname van de wolindustrie en de algemene industrialisatie. Daarna kwam de vraag op; wat gaan we doen met de woeste gronden?

 Heideplaggen en schaapsdrift op woeste gronden.

Vanaf dit punt namen de uitgestrekte heidevelden zonder enig economisch doel grote delen van het zandlandschap in. De beslissing, vanuit de private sector, werd genomen om de heidegronden te ontginnen en te bebossen. De Heidemij, slechts enkele jaren oud als bedrijf, zou hier een grote rol in spelen. De schrale gronden waren uitermate ongeschikt voor landbouw, wat de meest gunstige economische functie zou zijn. Daarom werd gekozen voor bebossing met het idee deze later weer om te zetten in landbouwgrond, nadat zich onder het bos een humeuze groeilaag had gevormd. In veel gevallen werd de laatste stap niet ondernomen en bleef een gebied bos. Om bos te planten moest eerst de grond worden voorbewerkt, het zogenoemde ‘ontginnen’ door middel van beplantingsgreppels. Dit werd aanvankelijk gedaan met de hand, daarna met de ossenploeg en vanaf begin 20e eeuw met de stoomploeg. Dit was pionierswerk van de Heidemij.

Ossenploeg.

In 1906 werd bij de firma Ottomayer in Westfalen een massieve stoomploeg ingehuurd. Om de ploeg in bedrijf te houden waren maar liefst drie wagens met water, brandstof en reserveonderdelen nodig, met daarnaast nog een woonwagen voor het bedienend personeel en enkele paarden. Met de stoomploeg kon aanmerkelijk sneller en dieper worden geploegd dan met de ossenploeg. Vanaf 1910 werden voor het eerst tractoren voor de stoomploegen gebruikt. Zo heeft de Heidemij vele gebieden ontgint en voorbereid voor bebossing, zoals Landgoed de Utrecht en de Sprengenberg op de Sallandse Heuvelrug.

Stoomploeg.

Deze werkzaamheden hebben het Nederlandse landschap ingrijpend veranderd. Aan de ene kant is het land voorzien van vele nieuwe bossen, die vandaag de dag nog steeds gebruikt worden voor recreatie. Maar aan de andere kant is een eeuwenoud cultuurlandschap grotendeels verdwenen, wat in recente jaren juist weer teruggedraaid wordt. Deze kwestie wordt mooi samengevat in een quote van de voorzitter van de Heidemij (circa 1950):

“De bewerking van de bodem, bebossing, ontwatering, normalisering, ruilverkaveling, vervening en bevloeiing -kortom de ontginnende factoren in ruime zin- verstoorden de samenstelling van het oude land. Allerlei interessante en boeiende levensgemeenschappen werden grof en gedachteloos ondergeploegd met behulp van ossen en paarden, van stoommachines en benzinemotoren en jaar op jaar verdween weer een lap van de natuurlijke vegetatie en bleef er in menig gebied maar een schijn van het oude karakter bewaard.”

Stoomploeg.

Uw browser is verouderd

Update uw browser voor een optimale weergave. Nu updaten

×